KAS BANK Duitsland: Afkijken in NL loont de moeite

28 oktober 2014 Banken.nl

Nederlandse pensioenfondsen zijn op het gebied van kostprijstransparantie en rapportageverplichtingen al sterk gereguleerd. Ook in Duitsland komt steeds meer regelgeving voor ‘Einrichtungen der betrieblichen Altersversorgung (EbAV)‘. Frank Vogel, Managing Director van KAS BANK Duitsland, legt uit waarom het voor de Duitse EbAVs goed zou zijn om eens een kijkje bij hun Nederlandse buren te nemen hoe zij dat geregeld hebben.

Als gevolg van de nieuwe Europese richtlijn IORP II zullen de eisen op het gebied van transparantie, rapportage en risicomanagement ook voor EbAV toenemen. Het ontwerpbesluit van de Europese Commissie van maart 2014 onderstreept deze trend. De implementatie van de herziene IORP-richtlijn in nationale wetgeving vindt naar verwachting eind 2016 plaats. Deskundigen schatten dat de nieuwe EU-richtlijn inzake instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in Duitsland extra kosten van maximaal €140.000.000 met zich mee brengt – per jaar.

Frank Vogel - KAS BANK

Zelfs als aan het eind van de rit geen volledige harmonisatie van de verschillende nationale wetgeving is bereikt, dan zal toch minstens sprake zijn van constructieve afstemming. EbAVs in Duitsland doen er daarom goed aan om zich snel aan te passen aan ‘de strengere regelgeving die in andere Europese markten al realiteit is.

Stappenplan

Een blik op Nederland laat zien hoe een mogelijk stappenplan voor een veranderende regelgeving in de Bondsrepubliek eruit kan zien. Bedrijfspensioenregelingen zijn in Nederland veel meer ontwikkeld dan in Duitsland en al veel zwaarder gereguleerd. De cijfers illustreren deze voortrekkersrol: Elke inwoner van Nederland is goed voor ongeveer €60.000 aan pensioenvermogen, elke Brit voor nog steeds rond de €38.000, terwijl de gemiddelde Duitse burger slechts €4500,- pensioenvermogen heeft. Bij de verhouding pensioenvermogen en bruto binnenlands product is de toppositie van Nederland vergelijkbaar dominant. De activa van de pensioenfondsen maken ongeveer 170 procent van het jaarlijks bruto binnenlands product uit. In het Verenigd Koninkrijk is dat 131% en in de Verenigde Staten 113%. In Duitsland, echter, bedroeg het pensioenvermogen slechts 14% van het bruto binnenlands product.

De redenen voor de Nederlandse voorsprong zijn duidelijk. Ten eerste is het bedrijfspensioen een veel wijder verbreid fenomeen. Ongeveer 90% van de Nederlanders heeft op basis van de huidige pensioenstelselstructuur - AOW en een aanvullend pensioen – een bedrijfspensioenplan. Bovendien is, in tegenstelling tot Duitsland, de kapitaaldekking van de pensioenverplichtingen bij wet voorgeschreven.

De wettelijk voorgeschreven minimale dekkingsgraad van een Nederlands pensioenfonds bedraagt 105% van de totale pensioenverplichtingen. Inclusief de aanvullende vereiste kapitaalbuffer om tegenslagen op te kunnen vangen, bedraagt de dekkingsgraad gemiddeld 125-130%. Ter vergelijking: In Duitsland bedroeg de dekkingsgraad van de pensioenfondsen van ondernemingen genoteerd aan de Duitse aandelenindex DAX per 30 juni 2014 slechts 61,3%, en bij bedrijven genoteerd aan de MDAX slechts 48,1%. Dit wordt verklaard door het feit dat in Duitsland geen wettelijke voorschriften dat de pensioenverplichtingen van bedrijven voor 100% of meer gedekt moeten zijn. Dit betekent echter niet dat er een groter risico bestaat dat pensioenen niet worden uitgekeerd. Duitse werkgevers zijn altijd volledig aansprakelijk voor hun pensioentoezeggingen, ongeacht of de vereiste pensioen activa voldoende omvang hebben of niet. Dat kan leiden tot forse bijstortingen en daarmee een hoger balansrisico.

KAS Bank

Toezichteisen blijven toenemen

Inherent aan het Nederlandse systeem is dat een drastische onderdekking van pensioenverplichtingen ernstige gevolgen kan hebben. Zo reageerden de wetgevers en toezichthouders tamelijk heftig toen in de nasleep van de financiële crises van het nieuwe millennium de gemiddelde dekkingsgraad drastisch was gedaald. Zo daalde de dekkingsgraad begin 2009 tot 92%, tegen 150% voor het uitbreken van de crisis. Al in 2007 werd daarom een regelgevend kader voor de beoordeling van de Nederlandse pensioenfondsen op financiële soliditeit (FTK, Financieel toetsingskader) opgericht.

Naast verhoogde solvabiliteitsvereisten werden bijvoorbeeld strenge eisen gesteld aan de dagelijkse, marktprijsgerichte evaluatie van de activa en passiva. De rapportages - op basis waarvan tekorten worden gesignaleerd en volgens duidelijk gedefinieerde grondslagen eventuele herstelmaatregelen genomen moeten worden – hebben sindsdien alleen maar aan belang gewonnen. Beleggingsresultaten met betrekking tot de benchmarks zijn net zo belangrijk als de stresstesten van de portefeuille voor verschillende rentescenario's, een overzicht van relevante risicoparameters en de gedetailleerde analyse van de toekomstige kasstromen - om een paar voorbeelden te noemen.

De komende herziening van het FTK in 2015 zorgt voor nog meer regelgeving voor pensioenfondsen in Nederland. Zelfs vandaag de dag leiden de regels uit 2007 al tot aanzienlijke financiële lasten. Berekeningen door de branche zelf laten zien dat bij een middelgroot pensioenfonds 1-2 medewerkers nodig zijn om aan de uitgebreide eisen ten aanzien van rapportages en risicomanagement te voldoen. De nieuwe regelgeving zou er zelfs toe kunnen leiden dat de invloed op pensioenfondsen van toezichthouder De Nederlandsche Bank nog verder toeneemt.

Aanzienlijke extra kosten

Intussen staat vast dat de reeds in het laatste ontwerp van de EU-Commissie geformuleerde aanvullende informatie-eisen ook voor de EbVA’s aanzienlijke extra kosten gaan opleveren. Een voorbeeld hiervan is de verplichte Pension Benefit Statement, PBS. Alle deelnemers, inclusief gepensioneerden, moeten voortaan ten minste om de 12 maanden op een gestandaardiseerde manier geïnformeerd worden over de kosten, risico's en kenmerken van de pensioenregeling. De Europese Commissie schat de kosten voor alleen de PBS op ongeveer €22 kosten per deelnemer aan de bedrijfspensioenregeling. Daarbovenop komen jaarlijks nog 80 eurocent exploitatiekosten per jaar. Voor pensioenfondsen kunnen de totale kosten daarmee makkelijk oplopen tot €1.000.000 aan extra kosten.

Kostentransparantie als potentieel concurrentievoordeel

De bedrijfspensioenvoorzieningen in Duitsland zien zichzelf aan dezelfde spanningen blootgesteld als in de rest van Europa: lage rendementen op vastrentende kapitaalmarktinstrumenten en de toegenomen levensverwachting, waardoor aanspraken en uitkeringen aan de ene kant omhoog gaan terwijl het toezicht en de regelgeving steeds uitgebreider worden. Deze uitdagingen alleen met de vraag naar belastingvermindering tegemoet treden, is niet genoeg. Om de vereiste prestaties te kunnen leveren zijn uitgebreider maatregelen noodzakelijk.

Het is daarom raadzaam om mee te liften op de ervaring van de toonaangevende Europese bedrijfspensioenregelingen en om kansen te identificeren vanwege de toenemende regelgeving. Want de eisen rondom kostentransparantie, zowel in de asset allocatie alsmede de controle van de investeringsmandaten, kunnen ook positief worden benut. Grotere transparantie door uitgebreide rapportages en gedetailleerde kostendeclaraties kan een aanzienlijk concurrentievoordeel opleveren. Veel mechanismen waarmee dit potentieel kan worden verhoogd, zijn, - aangepast - ook in Duitsland met succes toe te passen. Men moet dan echter wel met deze mechanismen bekend zijn.

Nieuws

Meer nieuws over