Nederlands investeringsklimaat dreigt in de Europese achterhoede te belanden

08 juli 2026 Banken.nl 6 min. leestijd

Het Nederlandse investeringsklimaat dreigt weg te zakken naar de onderste helft van Europa. Waar Nederland ooit structureel tot de top vijf behoorde, staat het nu al enkele jaren tiende, terwijl opkomende landen die daaronder stonden oprukken. Dat blijkt uit de EY Netherlands Attractiveness Survey 2026. Zonder snelle beleidsactie lijkt een langdurige achterstand onvermijdelijk, waarschuwt EY.

Nederland trok in 2025 in totaal 159 buitenlandse investeringsprojecten aan, tegen 147 een jaar eerder. Die stijging van 8% oogt bemoedigend, maar valt binnen de normale jaarschommelingen en steekt schril af bij het topjaar 2016, toen het nog om 409 projecten ging.

Sindsdien daalt het aantal projecten met gemiddeld zo’n 10% per jaar. Het onderzoek, dat cijfers over Europese investeringsstromen combineert met een enquête onder 200 internationale beslissers, spreekt dan ook niet van herstel maar van een stabilisatie op een gedempt niveau.

Van 409 naar 159 projecten

Dat is opvallend, want aan onderliggende kwaliteit ontbreekt het Nederland niet. EY wijst op een sterke kennisbasis, hoogwaardig onderwijs, internationale connectiviteit en ecosystemen waarin bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen samen innoveren. Het probleem is niet het gebrek aan potentieel, maar het vermogen om dat om te zetten in daadwerkelijke investeringen.

 Source: EY EIM 2026 

Er is wel voorzichtig optimisme: 54% van de ondervraagde bestuurders overweegt het komende jaar activiteiten in Nederland te starten of uit te breiden, tegen 49% een jaar eerder. Van een structureel herstel richting eerdere piekniveaus is echter geen sprake.

Kapitaal kiest voor strategische sectoren

De verschuiving speelt in heel Europa, waar het aantal investeringsprojecten in 2025 met 7% daalde tot 5.026. Belangrijker dan het aantal is de veranderende aard ervan: de bijbehorende werkgelegenheid nam met 25% af, een teken dat investeringen kapitaalintensiever en minder arbeidsintensief worden naarmate automatisering en AI de behoefte aan grote personeelsbestanden verkleinen.

Tegelijk stroomt kapitaal nadrukkelijk naar strategische sectoren. Investeringen in AI groeiden Europees met 96%, in defensie met 84% en in koolstofarme energie met 25%, terwijl traditionele bedrijfstakken juist terrein verloren: chemie kromp met 19%, automotive met 11% en investeringen in R&D-centra met ongeveer 30%.

Source: EY Europe Attractiveness Survey Netherlands 2026

In Nederland blijft het beeld sterk dienstverlenend: zakelijke diensten, sales en marketing, R&D en hoofdkantoorfuncties zijn samen goed voor ongeveer driekwart van alle projecten. Binnen die stabiele mix verschoof de sectorsamenstelling wel merkbaar.

Software en IT en zakelijke dienstverlening bleven met elk 27 projecten de grootste categorieën, elektronica groeide van 2 naar 14 projecten, finance van 5 naar 12 en transport en logistiek van 12 naar 18. Zorgwekkender is dat het aantal R&D-projecten daalde van 16 naar 14, terwijl de Nederlandse R&D-intensiteit met 2,29% van het bbp al jaren stagneert, ruim onder de kabinetsambitie van 3% in 2030.

Onder de herkomstlanden bleven de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk de grootste investeerders, keerden China (van 1 naar 10 projecten) en Frankrijk (van 1 naar 8) terug, en halveerde het aantal Duitse projecten van 16 naar 8.

Opkomende landen rukken op

De concurrentie komt bovendien niet langer alleen van de traditionele toplanden. Weliswaar daalden ook Frankrijk (-17%), het Verenigd Koninkrijk (-14%) en Duitsland (-10%), maar juist in Zuid-, Midden- en Oost-Europa ontstaan nieuwe groeipolen. Polen en Spanje noteerden een plus van respectievelijk 10% en 7%, en Turkije zelfs 20%.

Source: EY EIM 2026 

Landen en regio’s die sneller vergunningen verlenen, industriële ruimte beschikbaar hebben en energiezekerheid bieden, winnen terrein. “Nederland kan zich niet langer alleen beroepen op reputatie, ligging of historische kracht”, zegt Patrick Boertien, partner bij EY-Parthenon en verantwoordelijk voor het onderzoek. 

“We moeten in de actiemodus komen om niet nog meer terrein te verliezen, en ons met name richten op die sectoren die een hoge toegevoegde waarde leveren.”

Binnen Nederland blijft de investeringskaart geconcentreerd. Amsterdam trok met 70 projecten opnieuw ruwweg 44% van alle investeringen aan, gevolgd door Rotterdam en de regio Den Haag-Leiden-Delft.

In de verwachtingen van investeerders over toekomstige aantrekkelijkheid doen Eindhoven en Den Haag-Leiden-Delft het echter relatief goed, terwijl Rotterdam terugvalt, mede doordat juist de chemie, raffinage en energie-intensieve industrie onder druk staan.

Van ambitie naar uitvoering

De rem zit vooral in de uitvoering. Investeerders wijzen op oplopende kosten, congestie op het energienet, krapte op de arbeidsmarkt, stikstofbeperkingen, dure woningen en fiscale onvoorspelbaarheid.

Het gaat hun steeds minder om kosten of markttoegang alleen, en steeds meer om de vraag of een land snel, voorspelbaar en schaalbaar kan leveren. Gevraagd naar wat Nederland zou moeten aanpakken, noemen zij vooral lagere energieprijzen en meer energieonafhankelijkheid (28%), investeringen in infrastructuur (27%), onderwijs en talent (26%) en betaalbare woningen (25%).

 Source: EY EIM 2026

Een strategisch antwoord ligt er inmiddels wel. Het rapport van oud-ASML-topman Peter Wennink, eind 2025 gepresenteerd, benoemt vier domeinen waarin Nederland relevant kan blijven – digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie en klimaattechnologie, en life sciences en biotechnologie – en schetst 51 voorstellen met een investeringspotentieel van zo’n 126 miljard euro, grotendeels privaat kapitaal.

Veel daarvan is terug te vinden in het regeerakkoord van januari 2026, dat mikt op 1,5% economische groei en onder meer een Nationale Investeringsbank aankondigt. Toch blijft de kloof tussen diagnose en uitvoering het kernprobleem.

“De overheid organiseert zichzelf nog onvoldoende om dit samen met bedrijfsleven en kennisinstellingen voor elkaar te krijgen”, waarschuwt Wennink, die er bovendien op wijst dat Europa “veel te weinig gebruikmaakt van spaar- en pensioenkapitaal”.

Daarmee komt de bal bij de politiek te liggen. “Het probleem is niet dat Nederland geen kansen heeft”, besluit Boertien. “Het probleem is dat ons land onvoldoende vaart maakt om kansen om te zetten in investeringen, economische activiteit en nieuwe groei. Dit vereist proactiviteit, snelheid en handelen vanuit de Rijksoverheid.”